Bij de broeders alexianen: bij epidemie dubbel tarief

Alexianen uit Tienen halen twee lijken op in Lubbeek. (Schilderij uit de kerk in Lubbeek.) Foto: Arca Lovanienses 1985

Tienen - In tijden van epidemie, zoals de "haastige ziekte" of pest, kregen de broeders alexianen een extra vergoeding. Normaal toch?

De broeders alexianen in Tienen kregen per ordonnantie van 1591 het recht op een extra vergoeding voor hun optreden in tijden van pest "of andere contagieuse sieckten". De lokale overheid kende hen twee halsters koren en tot vijftien stuivers per week toe. Nomaal toch, want de gebruikelijke inkomstens - uit aalmoezen - vielen weg. Toen in 1637 - na de verwoesting van de stad - de korenlevering toch werd gehalveerd leidde dat tot protest. Begrijpelijk: "in de pest gaan" betekende als het ware de dood tegemoet gaan.

De broeders waren belast met de begraving van de doden. Voor slachtoffers van de pest moest het dubbele worden betaald dan voor een dode in normale tijden. Er kwam nog iets bovenop in bijzondere gevallen, zoals bij de begraving van zeven vermoorde burgers, met "alle vuijlicheijt". Dat begravingsrecht heilig was, illustreerde Staf Thomas (Leuvense Stedelijke Musea, 1985). Een conflict ontstond toen bleek dat grauwzusters ook mannenlichamen lijkten. "Aanslag op de eerbaarheid", heette dat en voortaan moesten de broeders zich over de mannen ontfermen en de zusters over de vrouwen.

Annemie Adriaenssens beschreef in de geschiedenis van de alexianen hoe de broeders de pest aanpakten: niet aderlaten, wel zweetdranken, strikte isolatie, niet hoesten en mekaars "asem niet bevatten". Hun expertise stond buiten kijf. In 1631 bood het stadsbestuur van Tienen de Antwerpse pestmeester Jan Vander Linden duizend gulden opdat hij bij hen "onder geinfecteerden sulcken sorghe soude hebben willen draghen". Vander Linden weigerde en werd door de stad Antwerpen met het dubbele beloond. 

 

Door Raymond Billen
AANGERADEN