Riziv: ‘Geen indicaties dat Socialistische Mutualiteiten al te laks optreedt’

Bron © Belga

Volgens de ziekteverzekering Riziv zijn er geen gegevens die erop wijzen dat de medische controle van arbeidsongeschiktheid ‘niet eenvormig of ondoelmatig zou zijn’ of dat de Socialistische Mutualiteiten ‘al te laks’ optreden. Het Riziv reageert daarmee op de commotie die ontstaan is na de uitspraken van Rufy Baeke.

Baeke, de ondervoorzitter van het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen, zei dinsdag dat ziekenfondsen zich laten misleiden door patiënten die veinzen dat ze ziek zijn. Hij viel daarbij vooral de Socialistische Mutualiteiten aan, die ‘het misbruik met een extreme tolerantie toelaat’.

Het Riziv pakt dinsdag uit met een aantal cijfers ter zake. Tussen 2009 en 2012 steeg het aantal periodes van primaire arbeidsongeschiktheid over alle ziekenfondsen heen met 4,30 procent. ‘Bij de Socialistische Mutualiteiten was de stijging in die periode 2,94 procent’, luidt het.

In 2012 stelde de adviserend geneesheer in 11 procent van de gevallen een einde aan de arbeidsongeschiktheid. Bij de Socialistische Mutualiteiten bedroeg het percentage 13 procent.

Invaliditeit

Ook na controle kan een einde gesteld worden aan de invaliditeit. In 2002 gebeurde dit in 6.856 gevallen, in 2012 was dit gestegen naar 12.018. Vorig jaar nam het socialistische ziekenfonds 41 procent voor zijn rekening. ‘In verhouding tot het totale aantal invaliden evolueerde dit aantal van 3,35 tot 4,15 procent’, zegt het Riziv. ‘Uit deze gegevens blijkt geenszins dat de medische controle van arbeidsongeschiktheid niet eenvormig of ondoelmatig zou zijn of dat de Socialistische Mutualiteiten al te laks optreden.’

De ziekteverzekering geeft ook de cijfers mee van het aantal invaliden per leeftijdsgroep vanaf 50 jaar, nadat Unizo-topman Karel Van Eetvelt vorige week had uitgehaald naar het fenomeen waarbij vijftigplussers volgens hem te gemakkelijk misbruik kunnen maken van het systeem van langdurige arbeidsongeschiktheid. De invaliditeitsgraad in de groep 50-54 jaar steeg in de periode 2008-2012 van 10,6 naar 11,5 procent, in de groep 55-59 jaar van 15,5 naar 16,4 procent en in de groep 60-64 jaar van 26,8 naar 27,3 procent.

AANGERADEN