Huisarts klapt uit de biecht: “Een vrouw belde drie keer om te zeggen dat ze wel vijf winden per uur laat”

  • Themabeeld.

Van de familie Flodder met ratten en een dementerende oma, tot een barones in een kasteel met vier honden en een spiegel als enig gezelschap. De huisarts komt overal en kent u na jaren vanbinnen en vanbuiten. Soms tot vervelens toe. “Er komt hier een vrouw twee keer per week in de wachtkamer zitten. Uit pure eenzaamheid.”

“Welkom in de dokterspraktijk. Deze ochtend belde een vrouw al drie keer. Om te zeggen dat ze wel vijf winden per uur laat. Vijf winden. Ja, dan gaat het licht uit in je hoofd. Ik vroeg wat ze had gegeten gisteren. Spaghetti, zei ze. Ik dacht bij mezelf dat ze er de volgende keer misschien wat minder ajuinen moet indoen. Mensen komen met alles aanzetten. Simpele eksterogen, bijvoorbeeld. Dan denk je: Ga naar de pedicure. Of kaalheid. Dokter, kunt gij daar niets aan doen? Daar heb je natuurlijk geen zeven jaar voor gestudeerd. En toch moet je elke klacht ernstig nemen. Als ze vragen: Dokter, ik ben moe. Heb ik misschien leukemie? dan heb je de neiging om te zeggen dat ze wat eerder in hun bed moeten kruipen en minder op het internet zitten. Maar toch moet je eerst luisteren. Misschien zijn ze al lang moe en slapen ze wél veel. Een bagatel kan voor een mens zeer lastig zijn. En het internet helpt daar niet bij.”

Huisarts klapt uit de biecht: “Een vrouw belde drie keer om te zeggen dat ze wel vijf winden per uur laat”

Briefjes schrijven

“Het lastigst heb ik het met patiënten die het eigenlijk niet verdienen om geholpen te worden. Maar je moet. Je hebt de eed van Hippocrates gezworen. Behandel elke patiënt met je beste zorgen. Dat je ook klootzakken en crapuul je volle toewijding moet geven, is verdomme lastig.”

“Ziektebriefjes voorschrijven, dat is ook zo’n moeilijke. Sommigen komen hier binnen en zeggen doodleuk: Dokter, ik heb pijn aan mijn rug. Ik ben vandaag niet gaan werken en ik ga dat de hele week niet doen. Schrijf maar een briefje. Eerlijk? Rugpijn kan je niet checken, hé. Dus ja, ik schrijf dan een doktersbriefje. Voor de hele week. Het schaadt onze patiënt-artsrelatie als ik dat niet schrijf.”

“Met de opgang van psychische ziektes is het ook lastig inschatten. Vooral burn-out is de ziekte waarmee ze tegenwoordig en masse afkomen. Veel huisdokters kunnen geen weg met dat psychisch beestje. Ken je dat, de sociale besmetting? Eentje heeft het, iedereen heeft het. Steek twaalf studenten in een hok met één depressieveling, en ze worden allemaal depressief.”

“Het is ook gewoon moeilijk om door het kluwen van klachten een burn-out te vinden. Dikwijls gaat het over onenigheid tussen werkgever en werknemer. Ze gaan niet akkoord met de veranderde structuur of kunnen moeilijk omgaan met een veranderende job en dan wordt het onmiddellijk als een burn-out gezien. Hoe rapporteer je dat dan? Ik schrijf dan gewoon stresssyndroom door arbeidsomstandigheden.”

“Ik schrijf soms ook antidepressiva voor terwijl ik denk dat de maatschappij beter haar best zou moeten doen voor de mensen. Dan zou dat allemaal niet nodig zijn. Antidepressiva tegen eenzaamheid en liefdesverdriet, dat klopt toch niet? Vroeger gingen ze met vrienden praten, nu komen ze naar ons.”

Huisarts klapt uit de biecht: “Een vrouw belde drie keer om te zeggen dat ze wel vijf winden per uur laat”
“Je hebt de eed van Hippocrates gezworen. ‘Behandel elke patiënt met je beste zorgen.’ Dat je ook klootzakken en crapuul je volle toewijding moet geven, is verdomme lastig.”

“We zijn eigenlijk geen huisartsen meer. We worden meer een coach. Een gids in het gezondheidslandschap. Een praatbarak vaak. Onze job bestaat voor tachtig procent uit praten. Er is hier en dame die zo eenzaam is, dat ze twee keer per week langskomt. Dan gaat ze in de wachtzaal zitten, slaat ze een praatje en laat iedereen voor gaan. Ze wacht tot de laatste, in de hoop dat het gesprek met mij dan wat langer duurt. Wat ik dan doe? Dan praat ik. En ja, dan ben je wel uitgeput ’s avonds. Zeker omdat onze job ook meer en meer uitgehold wordt. Fracturen, traumatologie, uitstrijkjes: dat moeten we minder en minder doen, hé. We kunnen dat nog wel, maar mensen gaan naar specialisten of naar de spoed.”

Een fatale prik

“We doen ook minder en minder huisbezoeken. Maar als we ze doen, dan zien we wat. Van de familie Flodder met ratten in een kooi, een tiener met een zwangerschapswens en een dementerende oma van negentig, tot een barones in een kasteel met vier honden en een spiegel als gezelschap. Maar het is wel belangrijk dat je mensen in hun omgeving ziet. Dan kan je een beeld van hen vormen, iets wat specialisten in een ziekenhuis niet kennen. Zij zien een nummer, wij zien een mens met zijn achtergrond.”

“Je leeft ook mee als huisarts. Meer dan als specialist. Een mama van twee kinderen die leukemie krijgt en gaat sterven, dat wringt. Ik aanvaard dat ook niet. Wie zegt dat het bij het beroep hoort, is geen goeie huisarts. Als je de bloedresultaten voor je neus ziet en de harde waarheid, dan is het toch altijd even zuchten: Oei, we hebben weer prijs.”

“Als arts ben je wettelijk verplicht om de diagnose mee te delen volgens de draagkracht van de patiënt. Schat dat maar eens in, die draagkracht als het woord kanker moet vallen. Soms ben ik blij dat ik het slechte nieuws niet moet brengen. Dat de specialist dat moet doen. Ik merk stiekem dat ik het graag doorschuif. Hoewel het soms voor de pa­tiënt veel slechter is om dat van die gasten te horen. Die zeggen dat vaak gewoon en dan: Allez, bedankt, de volgende en succes. Dan moet je nog naar huis rijden, hé, met die kersverse  ­diagnose. Als ik het moet zeggen, dan neem ik daar de tijd voor. Ik ga – als het kan – bij de patiënt thuis en gooi geen natte dweil in hun nek. Niet onmiddellijk het woord kanker. Beter: kwaadaardig cellen. En blijf ergens positief. Hoop doet leven. Altijd.”

Huisarts klapt uit de biecht: “Een vrouw belde drie keer om te zeggen dat ze wel vijf winden per uur laat”
“Een jonge man had een zware hoest. Ik gaf hem hoestremmers, maar hij had een longontsteking en is daaraan gestorven. Ik had het niet gezien. Ik voel me daar nog schuldig over.”

“De dood. Die zien we af en toe. Het is zo. Elke arts heeft een klein kerkhof rond zich. Ik heb zelf iemand de fatale prik toegediend. Euthanasie. Het is een vreemde gedachte. Iemand dood moeten maken. Maar voor die personen zelf kan het niet snel genoeg gaan. Ik wou nog een praatje met een vrouw maken die volledig doorkankerd was, en ze zei: Het is goed dokter, ge zijt nerveuzer dan ik. Doe het nu maar. Ik wil ervan af zijn. Ik ben daarna naar huis gereden en heb toch een goeie gedronken.”

“Wat ook bij de job hoort, zijn zelf­dodingen. Vooral bij oude weduwnaren. Ik heb nog nooit weduwes zichzelf van het leven zien beroven. Eén keer heb ik een man gered. Een psychiatrisch pa­tiënt. Zijn vader belde dat hij hem niet vond. Ik ben ernaartoe gegaan en vond hem in de garage, hangend aan een koord. Ik heb hem omhoog gehouden, minutenlang. Hij is er doorgekomen.”

“Fouten. Ja, die maken we. En dat kan heel pijnlijk zijn. Een jonge man had een zware hoest. Ik gaf hem gewone hoestremmers, maar hij had een longontsteking en is eraan gestorven. Ik had het niet gezien. Ik voel me daar nog schuldig over. Had ik foto’s laten nemen en meteen antibiotica gegeven, dan was het misschien niet zo gegaan. Ik was nog redelijk jong en onervaren, maar het kan iedereen overkomen. Als huisarts is het ook gewoon vaak koffiedik kijken. Zeven op de tien klachten zijn banaal en gaan vanzelf over. Drie op de tien zijn niet pluis. De kunst is om die te vinden.”

Huisarts klapt uit de biecht: “Een vrouw belde drie keer om te zeggen dat ze wel vijf winden per uur laat”
Een mama van twee kinderen die leukemie krijgt en gaat sterven, dat wringt. Wie zegt dat het bij het beroep hoort, is geen goeie huisarts.” Foto: WDK

Slim, maar sociaal gehandicapt

“Het probleem bij jonge huisartsen is dat ze te weinig luisteren. Als er een patiënt binnenkomt, vraag dan het ei uit zijn gat. Luister. En vooral: voel eens. Jonge huisartsen voelen te weinig met hun handen. Ze gaan onmiddellijk doorverwijzen naar machines. Uit een soort onzekerheid ook. Zij zijn de hoog consumerenden van de gezondheidszorg. Voor banale dingen laten ze al een echografie of een scan maken. Terwijl oudere huisartsen net geleerd werd om patiënten te beschermen tegen kankerverwekkende stralen. Niemand beseft nog hoe schadelijk die machines zijn. Die jonge artsen zijn zot van de hoogtechnologische snufjes, terwijl een hand soms beter is. Ik ken een dame die last had van onderbuikpijn. Darm- en maagonderzoek volgde. Niets gevonden. Wat bleek? Ze had kanker net buiten die darm en maag. Maar dat had de machine niet gezien.”

“Trial and error. Vroeger probeerden we. Het zou een schimmel kunnen zijn, madam, probeer die pillen eens. En als het na twee weken niet hielp, dan probeerden we iets tegen eczeem. Nu mag je niets meer uitproberen. Het moet onmiddellijk opgelost worden met een paardenmiddel.”

“Maar het belangrijkste is dat dokters moeten leren praten. En dat is een schande, hoeveel dokters er niet normaal kunnen communiceren. Hoe kan je dan verwachten dat patiënten je raad opvolgen? Of gerustgesteld zijn? Kijk, het is simpel: bij het ingangsexamen voor arts zou ook een communicatietest moeten horen. Nu halen ze er de slimme bollen uit, maar ze zijn wel vaak sociaal gehandicapt. Zonde.”

Door Lotte Debrouwere
AANGERADEN