OESO-rapport: “Schoolcarrière van Vlaamse kinderen nog altijd sterk bepaald door sociale achtergrond”

Bron © BELGA

Foto: Photo News

“Positief is dat we een erg hoge participatiegraad hebben van in het prille begin, in het kleuteronderwijs, en aan het andere uiterste van het spectrum, bij het hoger onderwijs. Pijnpunt is dat we er ondanks zoveel investeringen in het gelijkekansenonderwijs niet in geslaagd zijn om de bepalende rol van de sociale achtergrond van leerlingen af te zwakken.” Dat zegt Dirk Van Damme, diensthoofd van het Centre for Educational Research and Innovation van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

De OESO is een samenwerkingsverband van 30 landen om hun sociaal en economisch beleid te bespreken, bestuderen en coördineren. Het OESO-rapport over het Vlaamse onderwijs is een groepsfoto die ook dit jaar de positieve punten én de pijnpunten van ons onderwijs in beeld brengt.

Grote instroom, veel afhakers

De participatie van 20-jarigen is dus uitzonderlijk hoog in ons land, maar er is toch een groot verschil tussen instroom en uitstroom. “Heel veel jongeren beginnen aan een studie in het hoger onderwijs, maar niet zoveel onder hen halen de eindmeet. Velen van hen falen of haken af”, zegt Van Damme.

Ander pijnpunt is de financiering van het hoger onderwijs. “De financiering van het hoger onderwijs is ontoereikend”, zegt de onderwijsexpert. Het blijkt dat de grootste hap van de forse investeringen in het onderwijs in ons land, bijna 6 procent van het BNP, naar het leerplichtonderwijs gaat.

Sociaal-economische kloof

Achilleshiel in ons ondewijs blijft de gelijke-kansenproblematiek. “De sociale achtergrond van het gezin waarin een leerling opgroeit, is nog altijd sterk bepalend voor de score in de laatste jaren van het secundair onderwijs”, zegt Van Damme. “Zijn je ouders hooggeschoold, dan heb je 58 pct kans om in het ASO (algemeen secundair onderwijs) te eindigen en slechts 20 pct om in het TSO (technisch) of BSO (beroeps) te eindigen.”

Van Damme is zwaar ontgoochteld door die blijvende sociaal-economische kloof. “Je weet natuurlijk niet wat er zou gebeurd zijn als we dat gelijke kansenbeleid niet hadden gevoerd”, zegt hij. “Dan zouden de resultaten wellicht nog een stuk dramatischer zijn.”

Migratieachtergrond

Uit het onderzoek door de OESO-analisten over de periode 2007-2017 blijkt voorts dat jongeren met een migratieachtergrond meer dan dubbel zoveel kans om NEET te zijn, dat is “not employed and educationally trained”, wat betekent dat ze inactief zijn. “Het zijn jongeren die tussen wal en schip vallen, “ zegt Van Damme. “Ze hebben na de leerplicht afgehaakt, vinden geen werk of zoeken geen werk, maar volgen ook geen enkel onderwijs meer. Die groep groeit op een zorgbarende manier snel aan. En in die groep is vooral het aantal meisjes dat niet studeert en niet werkt groter aan het worden.”

Veel zittenblijvers

Voorts blijkt ons land relatief veel zittenblijvers te tellen in vergelijking met de andere OESO-lanen, dat het beurzensysteem de studiekosten slechts in geringe mate compenseert. Opvallend in negatieve zin is ook dat onze universiteiten nauwelijks een rol spelenn in het levenslang leren. Ook bljkt uit het nieuwe onderzoek dat een diploma hoger onderwijs een hoge financiële return (lees, een hoger inkomen) oplevert, maar dat de kans op werk voor jongeren met migratieachtergrond en met een hogeronderwijsdiploma beduidend lager is dan bij autochtonen met zo een diploma.

Hoge personeelskosten

Noteren we nog dat ons land, en dan vooral de Vlaamse Gemeenschap, het op een na hoogste aandeel inzake personeelskosten voor onderwijs heeft. “Leraren worden goed betaald in Vlaanderen”, zegt Van Damme. “Maar op het vlak van de instructietijd, het aantal lesuren, scoren we laag. Het is een vaststelling, niet een stelling waarmee ik tussenbeide wil komen in het loopbaandebat dat momenteel in Vlaanderen wordt gevoerd.”

“Wat ook opvalt: een onderwijsloopbaan is een vlakke loopbaan in ons land, er is geen differentiatie in de verloning. Zelfs tussen een directeur en iemand die les geeft is er amper differentiatie.” Wat de leeftijdsstructuur betreft zitten we goed in Vlaanderen: 40 pct van de mannelijke leraren is jonger dan 40 jaar. Er is sprake van een vervrouwelijking van het onderwijsberoep, maar in het middelbaar onderwijs is toch nog 40 pct van het personeel van het mannelijke geslecht.”

Tot slot stelt de OESO vast dat de autonomie van de scholen nergens zo groot is als in Vlaanderen, en in dat opzicht verschillen we ook erg van de Franse Gemeenschap.

Katholiek Onderwijs Vlaanderen: “Conclusie niet verrassend”

Katholiek Onderwijs Vlaanderen zal het OESO-rapport nog grondig bestuderen, maar geeft alvast in een eerste reactie aan dat de conclusie niet als een verrassing komt. Het was immers precies de reden om te komen tot een modernisering van het secundair onderwijs. “Het is onze ambitie om elke leerling op het juiste moment op de juiste plaats te krijgen”, aldus directeur-generaal Lieven Boeve.

Door jvh