Kaat, moeder van Julie Van Espen, doet in   nieuw boek voor het eerst haar verhaal

“Ik hoor haar vaak fluisteren in mijn oor. Ik voel haar aanwezigheid in allerlei kleine dingen”

Julie Van Espen ging vaak studeren in het Begijnhof in Antwerpen. Daar ontmoette haar moeder ook schrijfster Diane Broeckhoven. 

Julie Van Espen ging vaak studeren in het Begijnhof in Antwerpen. Daar ontmoette haar moeder ook schrijfster Diane Broeckhoven. ©  rr

De ouders van Julie Van Espen hebben zich altijd in stilte op de achtergrond gehouden. Heel bewust. Liet hen maar rouwen in rust. In het boek Je fluistert in mijn oor van Diane Broeckhoven vertelt Kaat, de moeder van Julie, wel haar verhaal. Ze deed dat in de maanden na de moord, maar nu pas – na het assisenproces – wordt het boek gepubliceerd. Kaat praat er honderduit over haar dochter. Hoe eigenwijs en tegendraads ze kon zijn. Hoe ze sprankelde. Hoe ze op iedereen indruk maakte. “Wie haar ontmoette, vergat haar nooit meer. Het leek wel of ze licht gaf.”

Tekst: Jesse Van Regenmortel

4 mei 2019. Een doorsnee zaterdag. Mijn man Erik deed klussen en boodschappen. ­Elise (21) en Andreas (17) ­waren op hun kamer, Julie (23) en ik zaten samen de hele namiddag in de voortuin te genieten van de voorjaarszon. Ik zat te lezen, zij werkte aan haar thesis. Ze stond op het punt haar specialisatiejaar Internationale Betrekkingen en Diplomatie af te ronden. Een verrassende keuze vonden we dat, want diplomatie was nu niet bepaald een eigenschap die bij onze eigenwijze oudste paste. Tegen het einde van de middag stuurde Erik een berichtje dat hij nog even langs de garage ging omdat er nieuwe ruitenwissers op de auto moesten. Julie stuurde terug dat ze niemand in België kende die zo ­productief was op een zaterdag als haar vader. Behalve haar broer ­Andreas – Dré – dan, of toch wat siësta’s betreft. Zo’n dag was het dus.”

Het is een dag die al duizend keer ­beschreven en besproken is. In politierapporten, krantenartikels, assisen­zalen. Maar nooit eerder door zij die het dichtst bij Julie Van Espen stond. Haar moeder. Wat die dag verder ­gebeurde, is geweten. Julie werd van haar fiets gesleurd. Gedood. Door een “ontspoord individu”, staat in het boek. Zijn naam wordt niet genoemd. Hij verdient hier geen platform. Moeder Kaat begint haar relaas bij die doemdag – dochter vroeg nog of haar gele broek gewassen was, moeder maande haar nog aan dat ze voor­zichtig moest zijn – maar ze blijft er niet bij hangen. Ze neemt vooral de ruimte om, vanuit de eerste persoon, te vertellen wie die mooie dochter van haar was.

“Ze zei: Mama, ik wil iets betekenen. Ik wil niet zomaar Julie Van Espen zijn”

“Praten deed Julie al voor ze kon lopen. Ze taterde iedereen de oren van het hoofd. Toen ze een jaar of twee was, kreeg ze in de crèche groenteprakjes met brokken. Ze weigerde echter categoriek die te eten en spoorde als een echte vakbondsleider de andere kinderen aan hetzelfde te doen. Ik denk dat toen de bizarre eetgewoonten ontstaan zijn die als een rode draad door Julies leven liepen. Onder geen beding wilde ze iets eten wat ze niet lustte en ze overdreef in het eten van dingen die ze wel graag at.”

“Julie was leergierig en slim. Ik ­leerde haar lezen en heb haar altijd ­geholpen met haar huiswerk. Dat ­verliep niet altijd even makkelijk, ­omdat ze vreselijk eigenzinnig en ­eigenwijs was. Toen ze bij de scouts ging, ontpopte ze zich meteen als een leidersfiguur. Op kamp spoorde ze de andere kinderen aan om ’s nachts in de bossen te gaan rondlopen zodra de ­leiding sliep. Straffen of terechtwijzingen gleden gewoon van haar af.”

“Op de middelbare school ontwikkelde ze een voorliefde voor Oreo-koekjes, en verder leefde ze op pakjes ­instantsoep en alles wat ongezond was. Toen ze in het derde middelbaar zat, ging ze samen met haar zus ­voetballen bij KSK ’s-Gravenwezel. Erik vond dat geweldig en werd hun grootste supporter: hij sloeg geen match over. Tussen Julie en mij botste het geregeld in die tijd. Ze had veel meer aandacht nodig dan ik haar kon geven en ze beleefde een woelige ­puberteit.”

“Haar vrijheidsdrang was er niet ­kleiner op geworden, en haar behoefte om buiten te zijn, begon zich meer en meer te manifesteren. Ze kon en wilde gewoon geen hele dagen opgesloten zitten in een klaslokaal. Maar toen ze tegen het einde van de humaniora een studiekeuze moest maken, herpakte ze zich. Ze wist dat ze het met haar intelligentie aan zichzelf verplicht was iets van haar leven te maken. Tegen het einde van de middelbare school zag ik Julie langzaam veranderen van een opstandige puber in een zelfbewuste jonge vrouw. Ze zette zich veel minder tegen me af en ik ergerde me minder aan haar chaotische levensstijl. We kwamen nader tot elkaar en ­accepteerden elkaar zoals we waren. Nooit zal ik vergeten dat ze in die periode met grote hartstocht tegen me zei: Mama, ik wil iets betekenen voor de maatschappij. Ik wil niet ­zomaar Julie Van Espen zijn ...

“Soms fietste ze drie keer op een dag van ­’s-Gravenwezel naar Antwerpen en terug. Onbezorgd, want voor wie zou ze bang moeten zijn?”

“Aan de universiteit hebben we ­Julie zien openbloeien. Ze hoefde niet meer hele dagen binnen te ­zitten. Als de zon scheen, ging ze niet naar de les en studeerde ze ­buiten. In het bos vlak bij ons huis, in het Begijnhof of op het Eilandje in Antwerpen. Waar ze ook kwam en wie ze ook ontmoette, ze maakte op iedereen indruk. Er hing onmiskenbaar een soort glow om haar heen. Dat ontging ook mij niet. Ik zag de dwarse puber steeds meer naar de achtergrond verdwijnen en een sprankelende jonge vrouw tevoorschijn komen. Om kleren gaf ze niets, ze liep rond in goedkope en tweedehandse outfits. Om alles uit haar dag te halen en die optimaal te benutten, stond ze altijd vroeg op, voor zeven uur meestal. Dan trok ze twee of drie kamerjassen over ­elkaar aan en liep met een thermoskan koffie door onze straat.”

“Ze was een enorme sloddervos. Soms konden we het toilet niet meer in, omdat haar studieboeken er hoog opgestapeld lagen. Haar ­kamer of de keuken opruimen, dat was niet aan haar besteed. Dat was geen slechte wil: voor haar waren dat onbelangrijke zaken waaraan ze geen aandacht of energie wilde besteden. Ik had het daar lang moeilijk mee en heb ermee moeten leren ­omgaan. Toen ik de laatste jaren mijn kleine ergernissen over haar slordigheid kon loslaten, is onze ­relatie inniger geworden. Er ­stonden geen hindernissen meer tussen ons in.”

“Dat ik over Julie bezorgder was dan over de andere twee kinderen, kwam waarschijnlijk omdat ze ­nergens gevaar zag en iedereen ­blindelings vertrouwde. Ze zag in ieder mens het goede en had geen vijanden. Op basis van uiterlijk, ­afkomst of leeftijd werd niemand beoordeeld: iedereen was gelijk voor haar.”

“Julie heeft haar rijbewijs gehaald, maar veel talent had ze niet achter het stuur. Ik hield mijn hart vast als ze met de auto reed. Ze fietste liever overal naartoe, weer of geen weer, overdag en ’s nachts, met of zonder licht. Soms fietste ze drie keer op een dag van ’s-Gravenwezel naar Antwerpen en terug. whatsappend, instagrammend en filmpjes makend. Onbezorgd, met een overschot aan energie en zonder enige vorm van angst. Voor wie zou ze bang moeten zijn? Haar nachtelijke fietstochten op de terugweg van bezoekjes of na uitgaansavonden waren voor iedereen een bron van zorgen, ook voor haar vriendinnen. Maar Julie was niet tegen te houden.”

“Na haar Erasmus-avontuur in Australië kregen we een heel andere Julie in huis dan degene die we hadden zien vertrekken”

“In de zomer van 2016 ging haar grote droom in vervulling: half juli vertrok ze met een Erasmus-beurs om aan de universiteit van Brisbane aan de Australische Gold Coast te gaan studeren. Bijna een half jaar zou ze er blijven. Julie zwom ­meerdere keren per dag in de ­oceaan, genoot van de zon, het ­buitenleven, de vrijheid en de ­nieuwe vrienden die ze maakte. Vaak was ze niet aanwezig in de ­lessen, maar ze verwaarloosde haar studie zeker niet. Ze studeerde ­buiten, vooral aan het strand. Ze bloeide open, werd volwassen en veranderde langzaam in een echte Aussie: altijd liep ze op blote voeten en haar haren waren gebleekt door een overdosis zon en zee.”

“Eind november 2016 kwam ze weer thuis. We kregen een heel andere Julie in huis dan degene die we hadden zien vertrekken. Het leek of ze een totale transformatie had ondergaan. Ze had altijd bruine haren gehad, maar nu was ze blond en ze is dat gebleven. Ze zag er prachtig uit. Ze was slank, op het magere af, met weer nieuwe eetgewoonten. Mango’s, kiwi’s en aubergines waren haar favoriet geworden. Ook hier liep ze altijd op blote voeten, thuis en op straat. Het kostte ons heel wat overredingskracht om haar van het idee te brengen om ook blootsvoets te fietsen. Naast de fysieke verandering was er nog iets anders, iets ­ongrijpbaars: ze was zo puur en ­liefdevol en het leek of ze in een nog hoger tempo leefde dan voorheen. Voor iedereen had ze aandacht en de juiste woorden op het juiste moment. Wie haar eenmaal ontmoette, al was het vijf minuten, vergat haar nooit meer. Het leek of ze licht gaf.”

“Onze relatie kreeg een nieuwe en ­diepere dimensie: we werden echte soulmates. Julie genoot extreem van alles, ook van de allerkleinste dingen. En ik genoot mee: we genoten van elkaars genieten. Dat is echte liefde, weet ik nu.”

“In de kerk werden vrolijke filmpjes getoond, we zagen haar weer spring­levend fietsen. En tegelijk stond daar die kist waarnaar ik niet durfde te kijken”

“We hebben onze dochter niet meer gezien nadat ze haar lichaam hadden gevonden. Ik zou het niet aangekund hebben. Wel mochten we haar hand even vasthouden, terwijl haar ­lichaam bedekt was met een doek. Maar ook dat wilde en kon ik niet. Ik heb er bij de begrafenisondernemer wel op aangedrongen om te controleren of de zwarte nagellak die ze die laatste middag droeg nog op haar ­nagels zat. Ze had lange, slanke ­vingers. Wilden ze daar goed op ­letten? Of zij het wel echt was?”

“Waar ik me in die dagen sterk aan heb opgetrokken, is aan een nachtelijk telefoontje met een oude schoolvriendin, die zich bekwaamd heeft in heldervoelendheid. Ze zag een beeld van Julie die als een transparante aanwezigheid aan de rechterkant van ons echtelijke bed − mijn kant – stond en sprak. Liefdevol en zorgzaam, maar bijna dwingend, zei ze: Zeg tegen mama, zeg tegen mijn ­ouders, dat ik oké ben en dat ze niet met me moeten inzitten. Ik heb een vol en heerlijk leven gehad. Alles heb ik gekregen en kunnen beleven dankzij hen. Ik heb liefgehad en liefde kunnen ervaren op zoveel manieren. Ze hebben me alle kansen gegeven. Ik heb in 23 jaar een heel leven kunnen leiden. Het gaat goed met mij. Ik wil dat ze dat weten en geloven. Ik kan niet in begrijpelijke termen uitleggen hoe en waar ik nu ben, maar ik ben bij hen en bij jullie. Ik leef op een andere ­wijze verder. Alles is goed. Ik was overweldigd door deze boodschap van Julie. Ik kon het niet bevatten en tegelijk voelde ik een kracht die ik nog nooit eerder ervaren had. Het was me op dat moment duidelijk dat mijn dochter me hielp en dat zou blijven doen. Dat ze haar licht en liefde zou blijven doorgeven aan ons. Het was niet alleen een troost, maar ook een geruststelling.”

“Het was overweldigend en onwezenlijk hoe Julie overal aanwezig was en hoe ze mensen met elkaar verbond. Even onwezenlijk was het dat we de uitvaart moesten voor­bereiden van onze dochter, die een paar dagen eerder nog als een wervelwind door het huis was gevlogen. Hoe begin je daaraan? Vanaf het begin hebben we afgesproken dat we ons zouden richten op het positieve, op hoe Julie haar licht voor iedereen liet schijnen. Niet op de gruwel waarmee ze ons ontnomen werd.”

“In de kerk werden de vrolijke ­filmpjes getoond die Julie veelal zelf gemaakt had. We zagen haar weer springlevend fietsen, grapjes maken, boodschappen de wereld in sturen. Tegelijk stond daar die kist waarnaar ik niet durfde te kijken. Ik stond hand in hand met mijn man, die ook namens mij sprak, want ik kon het niet. En voortdurend dacht ik: Dadelijk gaat de kerkdeur open en komt Julie op haar blote voeten ­binnengewandeld, zich afvragend wat hier allemaal gaande is.”

“Na de kerkdienst zijn we met een klein gezelschap naar de begraafplaats van ’s-Gravenwezel gegaan. Zes mannen, onder wie Erik en ­Thomas (haar vriend, red.), droegen haar naar haar graf en vertrouwden haar toe aan de aarde. Iedereen had zijn schoenen en sokken uit­getrokken en liep op blote voeten, in haar geest. Ik zag het allemaal ­wezenloos aan en hoorde haar ­tegelijkertijd in mijn oor fluisteren. Flink zijn, mama. Je kunt het. Wees sterk. Alsof zij mijn moeder was ­geworden en ik haar kind.”

“Waar ik ook ben, ik ben voortdurend met Julie in gesprek. Als ik aan haar denk, voel ik haar in mijn buik”

“En dan is het ergste voorbij of moet het ergste nog komen. Daar ben ik nog niet helemaal achter. De leegte is groot, maar er zijn ook momenten waarop het me lukt om troost te vinden in kleine dingen. Erik, mijn man, is altijd een workaholic geweest en dat is niet veranderd. Hij verwerkt Julies dood op een heel andere manier en vindt afleiding in zijn drukke baan. Zijn verdriet is er niet minder om, maar hij beleeft het heel anders dan ik. Hij gaat ’s avonds vaak naar de begraafplaats en praat dan met onze dochter, wetend dat ze naar hem luistert. Voor hem is ze er nog, zij het in een andere vorm. Zelf heb ik de behoefte niet om vaak naar haar graf te gaan. Waar ik ook ben, ik ben voortdurend met Julie in gesprek. Ik hoor haar vaak fluisteren in mijn oor. Als ik aan haar denk, voel ik haar in mijn buik. Haar aanwezigheid is zichtbaar en voelbaar in allerlei ­kleine dingen.”

“Ik blijf op de been, vooral voor mijn andere kinderen, voor mijn man, familie en vrienden. Ook dat fluistert Julie me in: dat ik me net als zij moet omringen met waardevolle mensen. Dat ik goed voor mezelf moet zorgen en me niet mag laten gaan. De pijn is er altijd. Eveneens het besef dat we verder moeten in Julies geest. En dan zijn er al die eerste keren dat er iets gebeurt zonder haar. Ik herinner me het moment waarop ik mezelf voor het eerst weer hoorde lachen. Waarom of waarmee weet ik niet meer, maar het verwarde me en ik schaamde me bijna. Toch was ik er al snel dankbaar om. Ik kan het nog: lachen. Het is belangrijk dat ik dat niet verleer. Julie zou niet ­willen dat ik voor de rest van mijn ­leven somber of triest rondloop.”

“Slapen lukt nog altijd niet goed. Ik drink een paar glaasjes rode wijn ’s avonds, dat helpt. Voor ik inslaap, breng ik een uurtje met Julie door: ik bekijk filmpjes en foto’s, beluister de lieve en grappige teksten die ze voortdurend stuurde met haar ­iPhone. Ik word rustig van naar haar te kijken, haar stem te horen en haar energie te voelen. Als ze dan weer dicht bij me is, kan ik de nacht ­ingaan. Meer en meer dringt tot me door hoe gelukkig ze was en hoe ­stralend ze in het leven stond.”

Aangeboden door onze partners

Lees ook

Hoofdpunten